Grassoorten

Voor een grasveld komen verschillende grassoorten in aanmerking. De keuze is afhankelijk van de gebruiks- en bodemomstandigheden en, natuurlijk, van de voorkeur van de gebruiker. Door selectie en veredeling is een enorme variatie gecreĆ«erd in rassen. Daarbij is vooral gelet op bladfijnheid, zodevormend karakter, persistentie, ziekteresistentie, wintervastheid, betredingstolerantie, groeisnelheid, kleur en esthetische aspecten. Deze rassen zijn te vinden in de nationale en Europese rassenlijst voor gazongrassen. Hierna volgt een korte beschrijving van de voornaamste soorten en hun belangrijkste eigenschappen.


Engels raaigras (Lolium Perenne)

Verreweg de belangrijkste soort voor grasvelden. Rassen van deze soort zijn goed bestand tegen betreden en bespelen, hebben een vlotte opkomst (grotere zaden) en groei en een goed herstelvermogen. Engels raaigras vormt een dichte zode, is goed persistent en wintervast. Daardoor is het zeer geschikt voor allerhande types grasvelden als sport- en speelgazons en recreatieterreinen onder de meest uiteenlopende omstandigheden. Engels raaigras heeft geen probleem met frequent maaien (groeikrachtig) en vraagt een regelmatige stikstofbemesting. Aanbevolen voor doorzaai.

Belangrijkste ziekten:

kroonroest, voetrot in de winter

Kenmerken:

rode voet, jongste blad gevouwen, onderzijde blad glanzend, normaal geen uitlopers, oortjes aanwezig, tongetje doorzichtig


Veldbeemdgras (Poa pratensis)

De soort is een prima zodevormer vanwege zijn ondergrondse uitlopers, heeft een goede wintervastheid en droogtetolerantie en verdraagt bespelen en betreden goed. Veldbeemdgras is bruikbaar voor elk type grasveld. De beginontwikkeling is wat traag en daardoor minder concurrerend. Zeer kort maaien wordt maar matig verdragen. Het heeft in vergelijking met Engels raaigras, kleiner en fijner zaad. Het is weinig geschikt voor doorzaai.

Belangrijkste ziekten:

meeldauw, bladvlekkenziekte, bruine vlekkenroest, oranjestrepenroest

Kenmerken:

ondergrondse uitlopers, laatste blad gevouwen, dubbele bladgoot, kapvormig, samengetrokken top die splitst bij vlakstrijken (V-vormig), bladschijf meestal haaks op de bladschede, geen oortjes en zeer kort tongetje


Roodzwenkgras (Festuca rubra)

Dit ras is in te delen in drie groepen: met weinig uitlopers, met fijne uitlopers en met forse uitlopers. De eerste twee groepen zijn vooral geschikt voor siergazons. Rassen met forse uitlopers gedijen goed onder drogere omstandigheden en zijn geschikt voor extensievere uitbatingen.
Roodzwenkgras kenmerkt zich eerder door een trage groei, goede schaduwtolerantie en een geringe bespelingstolerantie. Kort maaien wordt goed verdragen. De rassen met uitlopers hebben een goede herstelgroei en kunnen ook opgenomen worden in een mengsel voor doorzaai.

Belangrijkste ziekten:

rooddraad, voetrot in de winter

Kenmerken:

voet bruin of roodachtig, bladschijf moeilijk rolbaar (naaldvormig), blad kantig met duidelijke ribben, bladschede gesloten, tongetje niet goed zichtbaar


Gewoon struisgras (Agrostis tenuis syn. A. capillaris)

Rassen van deze soort vormen een dichte mat met zowel boven- als ondergrondse uitlopers. Ze zijn zeer geschikt voor een fijn siergazon in uiteenlopende omstandigheden. Ze hebben een goed herstelvermogen, zijn wintervast en verdragen kort maaien uitstekend. De opkomst is eerder traag (zeer fijn zaad), de bespelingstolerantie is gering.

Belangrijkste ziekten:

rooddraad en voetrot in de winter

Kenmerken:

laatste blad gerold, geen oortjes, wel heel duidelijk tongetje, spits blad met geribde bladschijf


Hardzwenkgras en schapegras (Festuca ovina ssps)

Zowel gewoon schapegras als hardzwenkgras zijn zeer droogtetolerant. Ze hebben een trage opkomst (kleine zaden) en groei en een geringere betredingstolerantie. Zodevorming en wintervastheid zijn goed. Fijnbladig schapegras is een kortblijvende soort. Hardzwenkgrassen en schapegrassen verkiezen minder vruchtbare omstandigheden en lenen zich prima voor een extensievere uitbating.

Belangrijkste ziekten:

rooddraad, voetrot in de winter

Kenmerken:

voet bruinachtig-geel of groen, goed rolbare, smalle bladeren, bladschede open